Additional menu

De effectiviteit van hypnose ter verlichting van pijn en stress

Geschiedenis in het kort
De wortels van medische hypnose liggen bij Mesmer (1734-1815). Hoewel zijn verklaring voor de hypnotische fenomenen fout waren, behaalde hij bij bepaalde aandoeningen wel betere resultaten dan de orthodoxe geneeskunde van zijn tijd. Puységur en andere aanhangers van Mesmer demonstreerden in die periode gedurende 30 jaar alle belangrijke hypnotische fenomenen, zoals amnesie, analgesie en posthypnotische suggesties. De moderne studie van hypnose start feitelijk bij Charcot (1882) in parijs en Bernheim (1884) in Nancy. Enkele bekende onderzoekers uit de tweedehelft van de twintigste eeuw zijn: Barber, Erickson, Fromm, Hilgard, en Orne. Enkele actuele onderzoekers zijn: Bower, Gardner, Perry, Shor, Spanos, Kirisch, Lynn en Rhue.
Modern experimenteel onderzoek houdt zich onder andere bezig met het fenomeen ´trance´ , individuele verschillen in hypnotiseerbaarheid, sociale en cognitieve factoren, en neurologische correlaten van hypnose.

Theoretische fundamenten
Hypnotische fenomenen zijn relatief makkelijk en betrouwbaar uit te lokken. Een student die men 2 á 3 uur traint in een hypnotisch script (bijvoorbeeld Stanford Hypnotic suspectibility Scale) kan nagenoeg alle belangrijke fenomenen demonstreren. (Zie website van John Kihlstrom: http://ist-socrates.berkeley.edu/~kihlstrm/hypnosis_research.htm )

Stabiele individuele verschillen in hypnotiseerbaarheid
Mensen verschillen in de mate van hypnotiseerbaarheid. Sommigen mensen zijn gemakkelijk te hypnotiseren (Highs). Deze ‘highs’ kunnen bijvoorbeeld al hallucinaties beleven bij een eenvoudige verbale instructie. Bij de grootste groep mensen kan men een deel van de hypnotische fenomenen oproepen (Moderates). En een kleine groep mensen zijn niet hypnotiseerbaar (Lows). Lows ervaren weinig tot niets. Ze komen binnen een klinische setting relatief zelden voor. Men test de mate van hypnotiseerbaarheid doorgaans met de Stanford scales of varianten daarvan. Men biedt dan op gestandaardiseerde wijze een aantal hypnotische instructies aan gericht op hypnotische fenomenen die oplopen in moeilijkheid. Vaak beperkt men zich tot 5-12 suggesties. Een eenvoudige instructie richt zich bijvoorbeeld op bewegingsresponsen die voelen alsof ze buiten de wil plaatsvinden. Een moeilijke suggestie betreft hallucinaties: men suggereert aan de persoon dat er slechts twee gekleurde figuren op het bord staan terwijl er feitelijk drie staan. De test-hertest betrouwbaarheid van dergelijke lijsten is doorgaans goed (0.90 na 1 week tot 0.70 na 25 jaar). Van de persoonlijkheidstest doen feitelijk alleen bepaalde intelligentie testen het beter wat betreft betrouwbaarheid.
Hypnotiseerbaarheid is stabiel en moeilijk te veranderen. Ze is dan ook de belangrijkste bron voor variantie in hypnose onderzoek. Hoewel er geen perifere fysiologische markers zijn die een verschil aantonen tussen hoog en laag hypnotiseerbare mensen, zijn er wel centraal verschillen zichtbaar te maken via fMRI of SPECT. Zo laat een studie zien dat instructies voor analgesie alleen bij hoog hypnotiseerbare mensen veranderingen in de hersenen geven die in verband te brengen zijn met pijnmodulatie (Horton, e.a., 2001).

Trance of geen trance
Hoewel hypnotische trance geen specifieke bewustzijnstoestand is, is het gebruik van het woord trance voor het verkrijgen van hypnotische effecten toch erg belangrijk. Als men ontspanning bijvoorbeeld definieert als trance dan brengt de persoon allerlei culturele opvattingen en verwachtingen de therapie sessie in. Daardoor ontstaat de mogelijkheid bepaalde effecten te bewerkstelligen die men bij ontspanning doorgaans niet ziet. 50 jaar van onderzoek heeft nooit een goede (psycho)fysiologische marker kunnen aantonen die een daadwerkelijk onderscheidt laat zien tussen trance en ‘gewoon’ bewustzijn. Dit is de belangrijkste reden dat men trance tegenwoordig niet meer ziet als een aparte bewustzijnstoestand.

Effecten
Hoewel er veel indicaties zijn waar hypnose verlichting bij kan bewerkstelligen richt de auteur zich in dit hoofdstuk op pijnverlichting en stressmanagement.

Pijnverlichting
Pijnverlichting is binnen het effectonderzoek verreweg het meest onderzocht. Highs maken tussen de 0.3-30% van de populatie uit. Bij deze groep kan men ook gebruik maken van hallucinaties om pijnverlichting te bewerkstelligen. Lows komen in de populatie voor 15% voor, maar zijn in een klinische setting toch relatief zeldzaam (2-5%). De grootste groep bestaat dus uit moderates. Men kan dus doorgaans niet de moeilijkste suggesties gebruiken voor pijnverlichting, maar wel suggesties die steunen op specifieke opvattingen, verwachtingen en afleiding.
Hypnose heeft op pijn een ‘moderate’ effectsterkte (D = 0,67) ten opzichte van niet- hypnotische interventies, zo melden Montgomery e.a. (2000) in hun omvangrijke meta-analyse. De effectsterkte wordt zoals verwacht beïnvloed door de mate van hypnotiseerbaarheid: de hIghs behaalden D = 1,16, de moderates D = 0,64 en de Lows D = -0,01. Een meta-analyse naar de meerwaarde van hypnotische instructies ten opzichte van gangbare verpleegzorg en pijnstillers bij chirurgische patiënten toont goede effecten. De effectsterkte was indrukwekkend te noemen (D = 1,20). Dat wil zeggen dat de gemiddelde patiënt in de hypnose groep meer pijnverlichting ervaart dan 89% van de patiënten in de controle groep (Montgomery, e.a., 2002). Een strenge meta-analyse met alleen klinische patiënten (en bijvoorbeeld geen studenten) werd door Patterson en Jensen (2003) uitgevoerd. Ze concluderen wat betreft acute pijn dat hypnotische interventies effectief en specifiek genoemd mogen worden. In de helft van de studies is hypnose effectiever dan bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie, relaxatietraining, afleiding of emotionele steun. In de andere helft van de studies was het effect van hypnose daar gelijk aan. Het effect op chronische pijn is minder duidelijk stellen Patterson en Jensen (2003). Doorgaans is het effect dan vergelijkbaar met andere interventies, maar niet superieur.
De auteurs verklaren dit verschil in effectiviteit als volgt. Bij acute pijn kan afleiding en angstreductie via hypnose veel bieden. Patiënten met chronische pijn zullen waarschijnlijk afleiding al proberen (met gemengd resultaat) en doorgaans staat bij chronische pijn niet zozeer de angst op de voorgrond maar depressie.

Hypnose als aanvulling op cognitieve gedragstherapie
Als men cognitieve gedragstherapie aanbied binnen een context van hypnose dan blijkt dit beter te werken dan de interventie zonder de hypnotische context. De effectsterkte van hypnose ten op zicht van geen hypnose bij cognitieve gedragstherapie is D= 0.66 (Kirisch e.a., 1995). Uit deze zelfde review blijkt o.a. dat alleen al het woordje relaxatietraining vervangen door hypnose een effectsterkte heeft van D =0,63. Een winst in effectiviteit die volledig gebaseerd is op de opvattingen en verwachtingen van de patiënt rondom hypnose en die wel heel eenvoudig te bewerkstelligen is.
Flammer en Bongartz (2003) bieden het meest uitgebreide recente overzicht van de effecten van hypnose in een klinische setting. De effectsterktes die zij vinden variëren tussen de D = 0.93 tot D = 2.29, afhankelijk van de methodologische kwaliteit van het onderzoek.

Contra-indicaties
Doorgaans zijn er geen negatieve effecten van hypnose. Soms kan er echter enige lichte hoofdpijn ontstaan of een licht gevoel in het hoofd. In de forensische of klinische setting zijn er wel gevaren. Hypnotische suggesties gericht op regressie naar het verleden en het ophalen van traumatische ervaringen zijn risicovol.

Bron: Karlin, R. A. (2007). Hypnosis in the management of pain and stress. Principles and practice of stress management. P. M. Lehrer, Woolfolk, R.L., Sime, W.E. New York, The Guilford Press: 125-150.

© www.PsychFysio.nl
P. van Burken

Meer over dit onderwerp bij Psychfysio

Gravatarfoto voor Peter van Burken

Peter van Burken

Dertig jaar ervaring als fysiotherapeut/psycholoog. Auteur van Gezondheidspsychologie voor de fysiotherapeut en het boek Mindfulness en fysiotherapie. Initiator en docent Psychfysio opleidingen.

Reader Interactions

Om de twee weken 3-6 samenvattingen

Fysiotherapeut? ja nee

6000+ fysiotherapeuten ontvangen de nieuwsbrief.

Cursussen 2019

De Running Fysiotherapeut

5 dagen. Start 4 september 2019. Prijs 895,-...

Dansante Fysiotherapie op basis van Laban/Bartenieff

8 dagen. Start 3 oktober 2019. Prijs 1295,-...

Motivational interviewing en oplossingsgericht coachen

3 dagen. Start 8 november 2019. Prijs 595,-...

Motorisch trainen bij musculoskeletale pijn – Extremiteiten –

4 dagen. Start 11 december 2019. Prijs: 875,-...

Cursussen 2020

Pijn- en Stressmanagement technieken

3 dagen. Start 7 januari 2020. Prijs 595,-...

Gezondheidspsychologie voor de fysiotherapeut

5 dagen. Start 8 januari 2020. Prijs 875,-...

De Mindful Fysiotherapeut

8 dagen. Start 9 januari 2020. Prijs 1295,-...

Praktijk – Neurolinguïstisch Programmeren (NLP)

3 dagen. Start 13 januari 2020. Prijs 595,-...

Acceptance and Commitment Therapy bij pijn

3 dagen. Start 15 januari 2020. Prijs 595,-...

Fysiopilates opleiding

9 dagen. Start 28 januari 2019. Prijs 1295,-...

Motorisch trainen bij musculoskeletale pijn – Wervelkolom –

4 dagen. Data voorjaar 2020 volgen. Prijs 875,-...